Omgaan met verschillen in de NTC-klas

door Fros van der Maden – vo-docent Nederlands en educatief auteur

Hoe differentieer je in het voortgezet onderwijs van een NTC-school?

Wie op een NTC-school werkt herkent het wel: in de klas zitten niet alleen kinderen uit verschillende leerjaren bij elkaar, maar ook zijn er veel verschillen in taalachtergrond en schoolsoort. Differentiëren is dus noodzaak in het NTC-onderwijs. Fros van der Maden heeft zelf jaren voor de klas gestaan en is auteur van diverse artikelen over differentiatie in de klas. Zij praat ons bij over omgaan met verschillen in het voortgezet onderwijs van een NTC-school.


“Differentiatie is een veelbesproken onderwerp. Het staat hoog op de agenda van de Nederlandse Onderwijsinspectie, en op de NTC-scholen wereldwijd is differentiëren een belangrijk thema. Dat was zeker merkbaar tijdens de Bijscholing in juli 2018 in Egmond aan Zee. Daar mocht ik me, samen met zeven NTC-docenten en één vo-docent van een dagschool in het buitenland, twee volle dagen verdiepen in differentiatie. Over het thema zijn al boekenkasten volgeschreven. Aan stof hadden we in onze cursus dan ook geen gebrek; er was veel te leren en te bespreken. Ik deel graag onze belangrijkste bevindingen, die je zelf als vo-docent in het NTC-onderwijs kunt gebruiken.


Wat de NTC-situatie anders maakt
Hoewel er dus ontzettend veel materiaal over differentiëren beschikbaar is, blijkt juist het grote aanbod soms een belemmering. ‘Er is zó veel; hoe weet ik nou waar ik in de praktijk iets mee kan?’ Als je door de bomen het bos niet meer ziet, dan wordt het lastig je eigen koers te bepalen. ‘De een beweert dit, de ander zegt dat, maar wat werkt er nou echt in mijn klas?’

Elke NTC-klas is anders. Wat de NTC-scholen met elkaar gemeen hebben is dat de dagelijkse realiteit anders is dan op Nederlandse vo-scholen. NTC-klassen zijn over het algemeen veel kleiner dan Nederlandse vo-klassen. Daarnaast zijn de klassen vaak anders samengesteld. Vo-scholen in Nederland delen hun klassen, in tegenstelling tot de basisscholen, in naar schoolsoort (vmbo, havo, vwo) en leerjaar. Eigenlijk kennen vo-scholen door deze indeling al een grote mate van differentiatie (ook wel externe differentiatie genoemd), terwijl in het NTC-onderwijs vaak leerlingen uit verschillende leerjaren en zelfs van verschillende schoolsoorten bij elkaar in de klas zitten.

Een ander groot verschil met het Nederlandse voortgezet onderwijs is de ‘deeltijdfactor’ in het NTC-onderwijs. Leerlingen komen vaak doordeweeks na schooltijd of op zaterdagochtend een paar uur naar de NTC-les, die dus een aanvulling is op het onderwijs dat leerlingen al volgen op een dagschool. Daardoor staan leerlingen niet altijd te popelen om wéér naar school te gaan. NTC-docenten weten uit ervaring dat het soms moeilijk is om hun leerlingen te motiveren.


Beginnen met differentiëren
Wanneer je een nieuwe didactiek wilt kiezen, is het zaak om naast de individuele verschillen rekening te houden met de bijzondere situatie van het NTC-onderwijs. Voor je begint met differentiëren is dus van belang om alle verschillen goed in kaart te brengen. Dat kun je doen met toetsresultaten (zowel formatief en methodeafhankelijk als summatief en diagnostisch), maar ook je eigen observaties en onderwijsleergesprekken met je leerlingen zijn goede middelen.

Beperk je bij je analyse en interpretatie van deze gegevens tot de vakonderdelen waarbij differentiatie het meest noodzakelijk en gewenst is (bijvoorbeeld: lezen en schrijven) en verdeel je leerlingen voor deze vakonderdelen in groepen (bijvoorbeeld: sterk, middelmatig, zwak of per schoolsoort en/of leerjaar). Herhaal je analyse om het halfjaar, waarna je de groepen opnieuw indeelt. Het puberbrein heeft, zoals we allemaal weten, soms grote verrassingen in petto.

Om te kunnen differentiëren moet je je losmaken uit het keurslijf dat een methode soms kan zijn. Je hebt normaal gesproken al geen tijd om een boek van A tot Z door te werken, en in een NTC-klas lukt je dat al helemaal niet! In dit verband zijn de termen nice to know en need to know erg handig. Selecteer op basis van de leerdoelen (uit bijvoorbeeld de NTC-Leerlijn) de leerstof die je leerlingen écht nodig hebben (need to know). Zo schep je letterlijk ruimte voor de verschillen tussen je leerlingen. In de recent verschenen methode vo-methode Kern vormt need to know het selectiecriterium voor de stof die wordt aangeboden. Als je de aanschaf van een nieuwe methode overweegt is deze methode zeker interessant, met het oog op differentiatie.


Het Sandwichmodel
Zoals gezegd zijn er veel mogelijkheden om te differentiëren. Ook zonder (specifieke) methode heb je keuze genoeg. Een bekende vorm is het Sandwichmodel. Het Sandwichmodel biedt een eenvoudige en praktische aanpak voor je lessen in de vakonderdelen waarbij de leerlingen gedifferentieerd in groepen werken.

Lessen volgens het Sandwichmodel beginnen met een korte klassikale instructie. Vervolgens geef je als docent de subgroep die dat nodig heeft een verlengde instructie. Daarna besteed je een van tevoren afgesproken aantal minuten exclusieve aandacht aan elk van de subgroepen, terwijl de leerlingen in andere subgroepen alleen elkaar om hulp mogen vragen (zachtjes). De afsluiting van de les is gezamenlijk. Het tijdschema voor docentbegeleiding maak je van tevoren bekend (zet het bijvoorbeeld de eerste paar keer op het bord). Alle leerlingen weten dan dat ze zich daaraan moeten houden. In het begin is het even wennen, maar na een tijdje zorgt deze tijdsindeling voor veel duidelijkheid en rust in de klas, zodat iedereen zich kan concentreren. Doordat leerlingen niet op elk moment hulp kunnen vragen, worden ze ook zelfredzamer.

Waar sommige leerlingen gebaat zijn bij verlengde instructie, meer tijd en veel en duidelijke individuele feedback, vragen andere leerlingen juist om meer uitdaging dan gemiddeld. Zet hun niet meer van hetzelfde voor, maar geef ze complexere opdrachten: opdrachten van een abstracter niveau die hun onderzoekende houding stimuleren en die aanzetten tot reflectie. Je kunt ze bijvoorbeeld toetsvragen laten bedenken over de stof waarmee hun niveaugroep bezig is, of ze een onderzoekje laten doen dat in het verlengde ligt van die stof. Je hoogvliegers zullen dit soort experimenten zeker waarderen!


Studiewijzers en logboekjes
In de lessen waarin je volgens het sandwichmodel lesgeeft, differentieer je in instructie, groeperingsvorm, leerstof en waarschijnlijk ook in tempo en verwerkingsvormen. Om het lesprogramma voor de leerlingen overzichtelijk te houden, kun je denken aan individuele studiewijzers waarin je voor een week, maand of kwartaal hun (need to know)programma per lesuur aanbiedt. Zo kun je jouw instructietijd zo efficiënt mogelijk gebruiken; veel informatie vinden de leerlingen immers zelf in hun studiewijzer.

Ik heb eens enkele jaren op deze manier lesgegeven op een vo-school voor geïndividualiseerd onderwijs. Naast studiewijzers gaf ik mijn leerlingen een logboekje, waarin ze aan het eind van de les iets aan me konden schrijven, bijvoorbeeld over een onderwerp dat we tijdens de les niet hadden kunnen bespreken. De logboekjes zorgden ervoor dat ik altijd contact hield met alle leerlingen, en de leerlingen vonden het zelf ook een prettig medium. Bovendien was er nuttige ‘bijvangst’: zonder dat ze er erg in hadden, oefenden de leerlingen nog wat extra met formuleren en schrijfvaardigheid.


Projecten
Projectmatig werken is en blijft een mooie en speelse manier van leren die leerlingen enorm kan motiveren. Projecten lenen zich bovendien goed voor differentiatie: leerlingen kunnen een rol en taak kiezen die past bij hun voorkeuren en capaciteiten. Het meisje dat zo goed is in ict maakt de website. De jongen die geweldig tekent ontwerpt het affiche, en ga zo maar door. Als ik zelf terugdenk aan de tijd waarin ik op de middelbare school zat, dan zijn het juist dit soort projecten die zijn blijven hangen. Ik ben ervan overtuigd dat leerlingen enorm veel van hun peers kunnen leren, als wij docenten ze daarvoor de ruimte geven.


Leren doe je individueel én met elkaar
Voor de klas heb ik geleerd dat je, door te differentiëren, individuele leerlingen echt meer ruimte geeft om hun talenten te ontwikkelen. Tegelijk werd me ook snel duidelijk dat alles individueel doen oersaai is, en bovendien contraproductief. Het is daarom aan te raden om niet alleen te analyseren bij welke vakonderdelen je wilt differentiëren, maar ook wat je jouw leerlingen beslist samenwerkend of klassikaal wilt laten leren. In groeperingsvormen kun je immers ook differentiëren! Logischerwijs kies je voor samenwerken bij mondelinge taalvaardigheid (spreekbeurt, debat, betoog, discussietechniek), maar ook fictieonderwijs is veel leuker en effectiever met de hele klas. Verder zijn er natuurlijk vakonderdelen die voor leerlingen op alle niveaus altijd van belang zijn, zoals werkwoordspelling. Bij deze onderdelen is een klassikale aanpak veel efficiënter.


Een driemaster wordt niet op één dag gebouwd
Overgaan op een andere didactiek is een tijdrovend proces. Net zoals een driemaster ook niet zomaar gebouwd is, is de overgang van een klassikale, traditionele, benadering naar een didactiek waarin je bewust en trefzeker omgaat met verschillen tussen leerlingen, een verandering die tijd kost.

In de Bijscholingscursus ‘Differentiëren kun je leren’ hebben we geconstateerd dat er heel veel verschillende manieren bestaan waarop je kunt differentiëren. Wat voor jou en jouw leerlingen werkt, dat moet je uiteindelijk zelf ondervinden door van alles uit te proberen en door datgene te behouden waar je iets mee kunt. Ik hoop dat je in deze blog aanknopingspunten hebt gevonden om daarmee aan de slag te gaan.

Met dank voor hun inbreng aan cursusdeelnemers: Teike Tessel Asselbergs, Jolien de Bouw, Runa Hellinga, Diane Keetlaer Olsson, Monique Koster, Waynie Merkes, Rachelle Urka en Mirjam de Zeeuw.

Meer weten?

Boek:

  • Berben, Meike (2014). Differentiëren is te leren! Amersfoort: CPS

Artikelen:

  • Ekens, Tiddo en Maters, Floor (2015). Rekening houden met verschillen bij het vak Nederlands. In: LTM
  • Maden, Fros van der (2016). Differentiatie: hoe pak je dat aan? In: Fons
Website Fros van der Maden
B