“Hoe groot is Nederland?”: Internationaal onderwijs buiten en binnen Nederland als inspiratiebron

01 februari 2017

“Laten we ons realiseren dat het in onze huidige wereld van groot belang is dat we onze kinderen internationaal competent maken, zodat zij als ware wereldburgers de toekomst tegemoet kunnen treden. En laten we daarin vooral gebruik maken van en ons laten inspireren door de kennis en ervaring die er over dit onderwerp al aanwezig is; op grote en kleine schaal en zowel in het Nederlands onderwijs in het buitenland als in het internationaal onderwijs in Nederland.”

Bovenstaande is de conclusie van het colloquium dat NOB op donderdag 2 februari organiseerde in de Koninklijke Schouwburg te Den Haag, getiteld “Hoe groot is Nederland?”. Aanleiding voor dit initiatief is de voorzitterswissel in de Raad van Toezicht van NOB. Prof. dr. Fons van Wieringen trad per 5 oktober jongstleden af, prof. dr. Jaap van Marle neemt zijn taak per diezelfde datum over. Het colloquium werd voorgezeten door drs. Hanneke Teekens, vice-voorzitter van de Raad van Toezicht van NOB.

De vraag “Hoe groot is Nederland” representeert een actueel thema, dat verder gaat dan het onderwijs alleen. Globalisering is lange tijd omarmd als vanzelfsprekend en waardevol. Echter, de tijden veranderen. De behoefte aan begrenzing, meer soevereiniteit, erkenning en borging van de eigen identiteit neemt wereldwijd toe. Wat betekent dit voor de toekomst? Wat betekent het voor ons onderwijs? En nog specifieker: wat betekent het voor het Nederlands onderwijs wereldwijd?

Dr. Robert Went (econoom en senior wetenschappelijk medewerker bij de WRR) opende het colloquium met een brede, economische blik op globalisering anno 2017 waarbij hij onder andere verwees naar het trilemma van Dani Rodik. Dr. Saskia Schenning (voorzitter van het college van bestuur van de Laurentius Stichting en lid van de Onderwijsraad) lichtte het rapport “Internationaliseren met ambitie” (Onderwijsraad, 2016) toe en benadrukte de afstand tussen ambitie en praktijk als conclusie van het rapport, maar ook als voorbeeld uit haar eigen praktijk. Dr. Karen Peters lichtte toe hoe het zeer diverse netwerk van Nederlands onderwijs in het buitenland een voorbeeld kan zijn van hoe wereldburgerschap en internationalisering een vanzelfsprekend onderdeel van het curriculum zijn. Zij riep in dat kader op om ook vooral te kijken naar de ervaring die we in het internationaal onderwijs buiten en binnen Nederland hebben, en die voorbeelden en inspiratie te gebruiken.

Daarop volgde een paneldiscussie, waaraan ook Axel Buyse (algemeen afgevaardigde van de Vlaamse Regering in Nederland en lid van de Raad van Toezicht van NOB) en Freddy Weima (directeur-bestuurder van EP-Nuffic) deelnemen. Oorzaak en gevolg werden gedurende deze discussie omgedraaid: kunnen verbindende organisaties als NOB misschien juist het antwoord zijn in de zoektocht naar de balans tussen eigen identiteit en een internationale rol? Plaatsvervangend directeur PO van het Ministerie van OCW Adriaan Zeillemaker beantwoordde de vraag hoe het Ministerie de rol van wereldburgerschap in het Nederlandse curriculum ziet met de opmerking dat met name burgerschap een zeer actueel thema is (red. waarvan ook het rapport Versterking Burgerschapsonderwijs dat op 7-2 aan de kamer werd aangeboden getuigt).

Na een kort slotwoord van NOB raadsvoorzittter Jaap van Marle volgde een informeel samenzijn waar nog lang werd na gesproken over de materie die voor een groot deel van de ruim 60 aanwezigen tot de verbeelding sprak.